Start » Columns » Column Ben van Althuis – Echt leed

Column Ben van Althuis – Echt leed

Dat de aanloop naar vrijdag de 13e voor mij niet de meest gelukkige week van het jaar zou worden, had ik de avond van 4 mei al kunnen voorzien. Niet dat ik helderziend ben, of op een of andere wijze bijgelovig, maar soms stapelen de momenten zich op. Mijn vrouw en ik hadden, zoals elk jaar sinds we niet meer in Amsterdam wonen, de dodenherdenking op tv gevolgd. Ook nu weer zorgde de plechtigheid op de Dam voor de nodige emotie. In tijden van oorlogsgeweld en een niet aflatende stroom vluchtelingen, begrijp je hoe kwetsbaar vrede is en hoe belangrijk het is je dat constant te realiseren en elkaar te respecteren. Ik kon me vroeger dan ook behoorlijk boos maken als tijdens de herdenking Duitse toeristen – kennelijk zonder dat respect – zich vrolijk en luidruchtig bleven manifesteren terwijl Nederlanders hun omgekomen familieleden herdachten. Maar goed…, dat was inmiddels jaren geleden.

Na afloop van de uitzending ging mijn vrouw de hond uitlaten. Toen ze terugkwam vroeg ze: “Wat denk je dat onze Duitse buurman zich afvroeg?” “Nou?” reageerde ik. “Waarom de vlaggen vandaag halfstok hangen,” zei ze. “Wat heb je gezegd?” vroeg ik. “Ik heb het hem uitgelegd. Dat van die doden en de jaarlijkse herdenking.” “En?” vroeg ik opnieuw. “Hij reageerde verwonderd,” zei ze. “Hij kwam hier toch al zoveel jaar, maar dit had hij nooit geweten.” Jaren geleden zei ik toch…? De volgende dag zouden we samen naar de vrijmarkt gaan, maar de weersverwachting was slecht. Er werd zelfs code oranje afgegeven. Storm en regen zouden Nederland teisteren. We zijn dus maar thuis gebleven en met ons veel ouders en kinderen die hun koopwaar op kleedjes hadden willen aanbieden. Aan het eind van de dag bleek het weer echter toch aanmerkelijk beter dan verwacht. Pech voor iedereen die achter de geraniums is blijven zitten… Wij dus.

Zoals gezegd had ik het kunnen weten. Twee dagen later – op Moederdag – de beslissende wedstrijd om de landstitel voetbal. Mijn Amsterdamse cluppie zou die Brabantse gloeilampen wel even een poepie laten ruiken door De Graafschap met forse cijfers te verslaan en de kampioensschaal mee naar huis te nemen. Twee van onze zonen waren – met gevolg – naar ons toe gekomen om moeders te verrassen én om voetbal te kijken. De derde zoon zat met z’n vriendin bij zijn schoonmoeder in Eindhoven om daar – in Ajaxtenue – het kampioenschap te vieren. Het liep anders. Ajax ging onderuit. Wég kampioenschap, wég feestje, wég vrolijk humeur. Al ben ik uiteindelijk wel blij dat ík geen schoonmoeder in Eindhoven heb.

Het weer had zich inmiddels niets van mijn pech aangetrokken. Het was aanmerkelijk beter geworden. Tijd om de volgende dag wat aan de tuin te sleutelen. Mijn vrouw zou, met de nodige azijn, het terras onder handen nemen en het onkruid tussen de stenen uitbannen. Helaas bespoot ze niet alleen het onkruid, maar ook de complete graskant. Het resultaat was de volgende dag zichtbaar. Het gazon had een totaal nieuw motief gekregen. “Kwam door de wind,” zei ze… en dan geloof je haar. Vanwege de inmiddels toegenomen warmte, besloot ik ’s avonds de planten wat extra water te geven. Ik liep op mijn te ruime tuinklompen naar de steiger en daar ging het mis. Een van m’n klompen bleef hangen terwijl mijn voet doorliep en dat bleek moeilijk. Ik verloor mijn evenwicht en viel met een klap voorover op de steiger. Daar lag ik dan. Mijn vrouw, die kennelijk even was ingedommeld, merkte niets en droomde rustig verder. Gelukkig viel alles achteraf mee. Niets gebroken, al waren er wel een paar pijnlijke kneuzingen.

De mij teisterende tegenslagen deden het ergste vrezen voor de eigenlijke rampdag. Ik was dan ook op alles voorbereid, keek drie keer bij iedere stap die ik nam en loerde naar elke mijn weg kruisende kat of ie niet zwart was. Maar alles ging goed. De dag verliep gladjes. ’s Middags stapte ik nog even een snackbar binnen voor een broodje. Naast mij zat een opa met z’n kleinzoon van een jaar of vijf. De dienstdoende serveerster had net een kroket op een bordje voor de kleine neergezet, die er ogenblikkelijk in wou happen. Maar dat viel hem tegen. De kroket was te heet. Het kind bezeerde zijn mond en begon te huilen. Opa pakte de kroket, begon te blazen en wilde hem daarna teruggeven. “Is ie niet meer heet?” vroeg de kleine. Opa nam een hapje van de kroket en schudde ontkennend zijn hoofd. Maar zijn kleinzoon was niet overtuigd. “Echt niet?” vroeg ie argwanend. Opa nam nog een hap en bevestigde zijn eerdere conclusie. “Echt niet,” zei hij. De jongen keek naar de aangebeten snack op het bordje voor hem. Toen begon hij nog harder te huilen. “Wat is er nou nog?” vroeg opa verbaasd. “Je hebt mijn halve kroket opgegeten,” jammerde het kind door zijn tranen heen. Ik begreep het, echt leed komt alleen op vrijdag de 13e.