Start » Columns » Column Ben van Althuis – Kees

Column Ben van Althuis – Kees

Ik had net een hap van de maaltijd – die deze avond voor mij op het menu stond – in mijn mond gestoken, toen de telefoon ging. Hé verdorie bromde ik, terwijl ik de hele handel in een keer probeerde door te slikken. Dat lukte maar half en het scheelde dan ook weinig of de rest van de inhoud van mijn mond was in mijn verkeerde keelgat terecht gekomen. Proestend nam ik op. “Hallo,” gorgelde ik. “Met Wil,” hoorde ik aan de andere kant. “Bel ik ongelegen?” “Nee hoor,” loog ik hoorbaar cynisch, terwijl ik toevoegde: “Je had me bijna bij jullie in de verpleging kunnen onderbrengen.” “Hoezo?” klonk een verontrustte stem. “Nee, laat maar,” liet ik een verdere verklaring achterwege. Wil was verpleegster in het verzorgingshuis waar ik regelmatig op bezoek kwam.

“Is er iets gebeurd?” vroeg ik. “Nee,” antwoordde Wil, “maar er is al dagen geen contact met Kees meer mogelijk. Kan jij misschien eens met hem praten?” Kees, een dementerende man van ver in de tachtig, weerde regelmatig nagenoeg alle communicatie met zijn omgeving. Alleen met mij had hij gek genoeg een soort van vertrouwensband. Als ik in het huis kwam ging ik altijd even bij hem langs. Niet dat ik hem ergens van kende, maar blijkbaar gaf ik hem het gevoel dat hij mij wel al heel zijn leven bij zich had. Meestal bestonden onze gesprekken uit zijn herinneringen. Hij kwam dan met de meest enthousiaste verhalen over vroeger, al klonk er de laatste tijd ook steeds meer eenzaamheid in door. Op één zoon na was er geen familie had ik van Wil begrepen en die ene zoon kwam nooit. Toch had ik zelden het gevoel dat het hem erg dwars zat. Tot enige dagen terug.

Ik was weer even bij hem langsgegaan en naast hem aan tafel gaan zitten, toen hij plotseling mijn hand pakte. Een moment keek hij wat langs mij heen. Toen vroeg hij: “Ben ik altijd alleen geweest?” Ik schudde ontkennend mijn hoofd. “Nee,” zei ik. “En je bent nu ook niet alleen. Je hebt mij, je hebt lieve verpleegsters om je heen, en je hebt een zoon.” Kees draaide zijn hoofd naar me toe. “Hoe ziet ‘ie er uit? vroeg hij met gefronste wenkbrauwen. “Komt ‘ie wel eens hier?” Mijn antwoord stokte even. “Je zoon heeft het druk,” zei ik. “Maar hij komt binnenkort dat weet ik zeker,” loog ik voor zijn bestwil. Ik hoopte dat Kees mijn uitleg zou aannemen en dat het leugentje hem zou sterken. Maar hij staarde opnieuw langs me heen en zei verder niets meer. Na een minuut of tien ben ik maar opgestapt.

“Ik ga na het eten wel even bij hem langs,” zei ik door de telefoon. “Bedankt,” hoorde ik Wil zeggen. Toen ik in het huis aankwam vertelde de verpleegster dat Kees in bed lag. “Hij is er vroeg ingegaan,” zei ze, “maar je kunt rustig naar binnengaan. Ik was net nog even bij hem, hij slaapt niet.” Ik klopte op de deur van de kamer maar kreeg geen reactie. Voorzichtig opende ik de deur en stak mijn hoofd om de hoek. “Slaap je al?” vroeg ik, quasi onwetend. Weer kwam er geen reactie. Nu liep ik naar binnen en ging naast hem op de rand van z’n bed zitten. Het kleine diep doorlijnde gezicht van Kees verdween haast in het zachte kussen. “Hoe is het?” Hij gaf geen sjoege en keek stil voor zich heen alsof hij me niet zag. “Heb je al gegeten?” vroeg ik tamelijk overbodig. Naast zijn bed stond een dienblad met avondeten waar geen hap vanaf was. Weer zei Kees niets.

Ik besloot uit een ander vaatje te tappen. “Nou, dan ga ik maar,” zei ik en deed alsof ik wilde opstaan. Toen pakte Kees de mouw van m’n jas, keek me aan en zei:. “Wil jij wat voor me schrijven?” “Hoe bedoel je?” vroeg ik. “Een brief,” zei Kees. “Aan wie?” reageerde ik verbaasd. “Aan mijn zoon,” antwoordde Kees en ik zag de vragende blik in zijn ogen. “Oké,” zei ik. “Wat wil je dat ik schrijf?” “Dat het me spijt en of hij bij me wil komen,” antwoordde Kees. “Dat het je spijt! Is er dan iets gebeurt?” vroeg ik. “Weet ik niet,” zei Kees, terwijl hij zijn schouders ligt bewoog. “Je hoeft je toch niet te verontschuldigen voor iets waar je niets vanaf weet?” reageerde ik ietwat opstandig. Kees keek me doordringend aan. Zijn ogen stonden nu glazig en over een van zijn doorgroefde wangen rolde een traan. “Weet ik,” zei Kees en opnieuw keek hij strak voor zich uit. Even leek het of een ijzige poolwind dwars door de kamer joeg. “Weet ik,” zei hij nogmaals, “maar als ik doodga wil ik niet alleen zijn.”

Ben van Althuis

www.benvanalthuis.com