Start » Columns » Column Ben van Althuis – De straat

Column Ben van Althuis – De straat

Toen ik enige tijd geleden met mijn vrouw in Amsterdam was bekroop mij de onweerstaanbare drang om even terug te gaan naar de straat waar ik ben opgegroeid. Alhoewel, opgegroeid is eigenlijk niet het juiste woord. De eerste tien jaar van m’n leven woonden wij ergens anders, maar de meest sprekende herinneringen liggen onmiskenbaar daar. M’n ouders hadden destijds het onzalige plan opgevat om precies op m’n tiende verjaardag te verhuizen. Volgens mijn vader was dat juist leuk. En een nieuw huis met voor mij een eigen kamer, zou mijn mooiste cadeau worden. Een luxe die ik in de jaren daarvoor nooit had gekend. Daar sliep ik in een tussenkamer – van drie bij vier meter – met nog twee broertjes in een stapelbed naast mij. Maar toch voelde het niet goed. Geen feest, geen visite en eigenlijk wilde ik helemaal niet weg uit mijn oude straat. Mijn wereldje was daar. Hier kende ik niemand. Maar ja…, we gingen en daarin had ik geen stem.

Het weerzien met de straat was een merkwaardige ervaring. Een soort school-reünie. In je herinnering was het schoolgebouw gigantisch groot en je schoolvrienden stoer en avontuurlijk. Maar als je na jaren terugkeert en je ziet die grote, wat gezette en kalende klasgenoten van vroeger, dan vraag je je af hoe je ooit met zovelen in zo’n kleine lokaaltje kon zitten. De straat leek breder in mijn geheugen en de flats aanmerkelijk hoger. En de prachtige rij bomen, waar we op uitkeken, was verdwenen. Erger nog; de grote kerk was weg. Die prachtige kerk, op de hoek van onze straat, had plaatsgemaakt voor een in mijn ogen wanstaltig kantoorpand. Ook de meeste winkeltjes waren verdwenen of tot woning omgedoopt. Alleen de kleine kantoorboekhandel, vlak naast onze voordeur, was nog open. Hoe vaak had ik daar niet zitten lezen in de voorraad stripboeken. Iedereen werd weggestuurd, maar als buurjongen had ik een streepje voor.

Een klein stukje verder, op de hoek van een zijstraat, zat de kapper. De eigenaar woonde boven de zaak en was een goede kennis van mijn ouders. Ik mocht hem niet. Eind jaren vijftig was een tijd van vetkuiven en bakkebaarden. Kortom, rock ’n roll had de jeugd in z’n greep en ik wilde mijn haardracht daar graag aan aanpassen. Mijn moeder vond dat aanmerkelijk minder en belde de kapper terwijl ik naar hem op weg was. Het enige dat ze waarschijnlijk heeft gezegd was: “kort a.u.b.!” Schijnheilig beloofde hij mij te voorzien van de door mij gewenste coupe, maar toen hij klaar was bleek mijn kuif niet groter dan een halve centimeter en mijn bakkebaarden waren alleen met behulp van een vergrootglas zichtbaar. Ik heb het hem nooit vergeven.

Mijn eerste liefde woonde zes deuren verder. Zij was twaalf en ik dertien. Ik was voor haar opgekomen toen ze werd gepest door een groepje jongens uit een andere straat. “Tonia, Tonia, drie maal in de rondte hup sa, sa,” zongen ze onophoudelijk. Ze moest huilen. Ik gaf de grootste een stomp op z’n neus, al begreep ik niet waarom ze eigenlijk om dat liedje huilde. Het bloedde flink, daarmee was het sarren afgelopen en Tonia mijn eerste vriendin. Onze verkering heeft jammerlijk niet lang geduurd. Toen er een nieuwe jongen in de straat kwam wonen kreeg hij de voorkeur en mij gaf ze de bons. Zoiets doet zeer als je dertien bent. En zo’n wond heelt nooit meer echt.

Mijn vrouw en ik liepen langzaam de straat door. Langs het pand van de visboer, de melkboer en de kruidenier, die het meeste van zijn koopwaar uit potten verkocht. Alles netjes gesorteerd in een groot rek dat achter de toonbank aan de wand was bevestigd. De winkel liep jaren goed, tot om de hoek een supermarkt werd geopend. Binnen een jaar was het afgelopen met de kleine kruidenier. Zelfs z’n trouwste klanten kozen uiteindelijk ook voor het grotere assortiment en de lagere prijzen. Later heb ik begrepen dat hij de gedwongen sluiting nooit heeft kunnen verkroppen. Na jaren van depressie is hij het water ingelopen. Tol van de vooruitgang.

Onder ons, op de eerste etage, woonde mevrouw en meneer Tromp. Hij was een zachtaardige, rustige man van midden vijftig, met heel veel geld. Althans…, dat was mijn inschatting. Zij was een lieve spraakwaterval. Hij was een van de luttele bezitters van een grote nieuwe auto in de straat. Eind jaren vijftig stonden er nog maar weinig auto’s langs het trottoir, wat overigens als voordeel had dat er veel ruimte was om te voetballen. Als buurjongen mocht ik iedere zaterdag zijn auto wassen. Nadat ik hem netjes had afgespoeld en in de was gezet, kwam meneer Tromp persoonlijk controleren of er geen strepen op zaten. Als alles was goedgekeurd kreeg ik anderhalve gulden en later zelfs een rijksdaalder.

Mevrouw Tromp verwende de buurkinderen op een andere manier. Als een van de weinigen had de familie Tromp televisie en iedere woensdag- en zaterdagmiddag mochten de jongsten uit de buurt naar het kinderprogramma komen kijken. Dappere Dodo, Swiebertje en Pipo zorgden voor een uurtje genieten, midden in de huiskamer van de Tromps. Er was ook altijd wel wat te snoepen. De oudere jeugd was meestal welkom bij sportwedstrijden. Ik herinner me als de dag van gisteren de wereldbeker finale in ‘58.

Zeker vijftien jongens, met meneer Tromp in het midden, zagen voor de kleine zwart-wit beeldbuis Zweden met 5-2 het onderspit delven tegen Brazilië. Het legendarische Brazilië met Santos, Didi, Vavá en natuurlijk ’s werelds beste voetballer ooit: Pelé. De geestdrift was groot. Zó groot, dat een van de jonge voetbalfans in zijn enthousiasme een grote Chinese vaas van het buffet stootte. Mevrouw Tromp keek zorgelijk maar meneer Tromp wuifde de schrik van het gezicht van de ongelukkige jongen. “Kan gebeuren,” riep hij en het hele stadion juichte.

Na een uurtje ronddolen zijn we teruggereden naar ons plekje in het West-Friese, nagenietend van de nostalgische tussenstop. Weliswaar was de straat mijn straat niet meer, maar de herinneringen neemt niemand mij af.

Ben van Althuis

www.benvanalthuis.nl