Start » Columns » Column Ben van Althuis – Puber

Column Ben van Althuis – Puber

Terwijl ik in de wachtkamer van de dokter plaatsnam zag ik dat er nog een patiënt voor me was. Tegenover me zat een vrouw met naast haar een jongen van een jaar of zestien. De vrouw knikte vriendelijk, maar de jongen gunde mij geen blik waardig. Hij ging onverschrokken door met het kijken naar zijn telefoon. Af en toe tikte hij met zijn twee duimen op het scherm, waaruit ik kon opmaken dat hij met iemand communiceerde. “Let maar niet op hem,” zei de vrouw. “Als hij met dat ding bezig is kan er geen goed woord af.” Ik haalde mijn schouders op en glimlachte. “Sinds hij zo’n ding heeft komt ervan praten niet veel,” ging de vrouw verder. “Vind u dat niet vervelend?” vroeg ik. “Ach…,” antwoordde de vrouw, “meestal vind ik het niet erg, lekker rustig, maar soms is het behoorlijk irritant.”

Er ging een deur open in de wachtkamer en in de opening verscheen de dokter. “Wie is er aan de beurt?” vroeg hij belangstellend. Niemand zei wat. Na een moment van doodse stilte stootte de vrouw haar zoon aan. “Jij bent!” siste ze. “Wat?” vroeg de jongen zonder op te kijken. “Jij bent…!” riep ze nu harder. De jongen sloeg zijn ogen op en keek naar de arts. Die wenkte hem en liep terug. “Kom eraan, even afsluiten,” reageerde de jongen. “Anders weten ze niet waar ik blijf.” Zonder blikken of blozen ging hij door met het bewerken van zijn scherm. Toen hij eindelijk klaar was en zijn telefoon had afgesloten, stond hij op en volgde de dokter.

Ik had het idee dat er stoom uit de oren van de vrouw kwam. “Snap je dat nou?” riep ze zonder daarbij uitdrukkelijk naar mij te kijken. Maar aangezien ik de enige was die nog bij haar in de wachtruimte zat nam ik aan dat het tegen mij was. “Die kinderen maken zich nergens druk om,” reageerde ik. “Ja, dat kan wel, maar hij kan zich toch wel een beetje sociaal gedragen,” pruttelde de vrouw. “Ik kan het hem honderd keer zeggen, maar het gaat zijn ene oor in en z’n andere oor uit – als hij tenminste geen koptelefoon op zijn hoofd heeft want dan hoort-ie helemaal niets,” voegde ze er pissig aan toe. “Een puber hé,” concludeerde ik wijsneuzig. Ze knikte bevestigend. “Ik word er niet goed van. Moest ik vroeger proberen, dan kreeg ik hem uitgemeten.”

“Waren uw ouders streng?” vroeg ik. “Nee, dat niet, maar ik diende me wel met respect te gedragen en dat ontbreekt tegenwoordig.” “We gaan nu vrijer met ze om, misschien dat daardoor de grenzen vervagen,” opperde ik. “Nee, ze zijn teveel verwend,” reageerde de vrouw hoofdschuddend. “Alles kan en alles mag. Je ziet het toch dagelijks op televisie. Drank, geweld, vernieling en treiteren. De journaals zitten er vol mee. Heeft u van de week gezien hoe een aantal jongens politieagenten provoceerden en beledigden, en de rest vond het prachtig. Dat lieten wij wel uit ons hoofd. Trouwens, volgens mij kan dat alleen in dit land.” “Misschien dat u daarin gelijk heeft,” antwoordde ik, “maar het lijkt me te ver gaan dit alle jongeren aan te rekenen.”

“Is uw zoon ook zo onhandelbaar?” vroeg ik. “Nee, gelukkig niet,” antwoordde de vrouw, “maar dat maakt het niet minder moeilijk. In huis doet hij niets, het grootste deel van de dag ligt-ie op z’n bed en met grote regelmaat belt z’n schoolmentor dat z’n huiswerk te wensen overlaat. En dan heb ik het nog niet over de troep die hij maakt. Alles gooit-ie achter zich neer en van opruimen heeft ie nog nooit van gehoord.” Opnieuw moest ik glimlachen. Het kwam me bekend voor. Ik heb zelf ook drie zonen. Het was duidelijk dat de vrouw wat opgefokt reageerde omdat ze zich schaamde voor zijn houding naar de arts. Ik besloot het gesprek een andere wending te geven.

“Is uw zoon ziek?” vroeg ik. “Hij is de laatste tijd zo kortademig,” antwoordde de vrouw. “Hij heeft weinig energie en het lijkt of z’n conditie verminderd.” “Misschien is dat de reden dat zijn activiteiten achterblijven,” vroeg ik mij hardop af. Ineens was de moeder in haar terug en vertoonde haar gezicht een licht zelfverwijt. “Denkt u? Dat ik daar niet aan gedacht heb,” reageerde ze. De deur van de wachtkamer ging opnieuw open en de zoon kwam binnen. In z’n handen had hij weer zijn telefoon en terwijl hij richting uitgang liep hamerden zijn duimen weer op het scherm. “Wat heeft de dokter gezegd?” vroeg de vrouw bezorgd. “Dat ik een allergie heb,” antwoordde de jongen zonder op te kijken. “Heeft hij verder nog iets gezegd?” vroeg zijn moeder door. De jongen schudde onverschillig z’n hoofd. “Hij wilde weten wat er in mijn kamer op de grond ligt.” “Oh…, wat heb je gezegd?” reageerde ze. Hij keek z’n moeder aan. “Kleren,” antwoordde de jongen en liep naar buiten.

© Ben van Althuis

Meer van Ben van Althuis op www.benvanalthuis.nl