Start » Columns » Column Ben van Althuis – D’r was één bij bij

Column Ben van Althuis – D’r was één bij bij

Mijn vader dronk met mate. Als het warm was leste hij zijn dorst met een biertje en alleen als er met zijn ouders geklaverjast werd stond de jeneverfles op tafel. Maar gezien mijn grootouders bijna altijd de winst naar zich toe trokken, was er voor hem zelden reden zich eens feestelijk te bezatten. Toch gebeurde dat soms wel. Dan kwam de dubbele tong tevoorschijn en veranderde zijn algemeen rationele denken in een spraakwaterval van sterke verhalen. Ineens bleek zijn leven te bestaan uit kleine heldendaden en een uitgebreide wetenschap van zaken waar ik hem normaal nooit over hoorde. Zijn kennis van het bijenvolk bijvoorbeeld. Ik wist dat hij ooit in een vakantie een bijenstal had bezocht, maar in licht benevelde toestand bouwde hij dit uit alsof hij destijds de imker zelf was. “Ik zag zeven vliegen vliegen en d’r was één bij bij,” begon hij steevast hikkend zijn ludieke verhaal met een luide lach om zijn eigen kwinkslag. Wat daarna volgde zal ik u besparen.

Aan deze herinnering aan mijn vader moest ik denken toen mijn vrouw voorstelde om met onze jongste kleindochter naar de bijenstal in Opperdoes te gaan. “Leuk,” zei ze. “En hartstikke interessant.” Ook mijn kleindochter was enthousiast, al klonk in haar reactie ook een beetje angst voor het nijvere volkje door. “Ze steken toch niet?” vroeg ze. “Welnee,” reageerde mijn vrouw. “Ik ben er al eens geweest, als vrijwilligster met een aantal bewoners uit het verzorgingshuis.” “Heb je de bijen toen ook gezien?” vroeg ik. “Nee dat niet, maar we hebben er wel koffie gedronken – met appelgebak en honing.” “Oh, vandaar,” antwoordde ik cynisch. Maar, ondanks dat we al jaren in het West-Friese wonen, ik was nog nooit in dit bijenlandje geweest dus mijn instemming hadden ze.

Een bijenstal, midden in Opperdoes, wat een leuk plekje is dat! Eerst even koffie met flensjes voor Jan Glazenborg – de eigenaar en imker – ons kwam halen voor een rondleiding. Vlak voor de bijenkasten bleef hij staan en keek met een ernstig gezicht naar de lucht. De bezoekers om hem heen keken ook driftig omhoog, maar zagen niets. Ja.., af en toe een bijtje dat met een noodgang naar zijn of haar woning koerste, maar verder niets. Jan keek nog eens naar boven en daarna naar een van zijn korven. Een groot aantal bijen vloog zenuwachtig heen en weer, maar dat deden ze volgens mij altijd. “Jullie zien misschien niets bijzonders,” keerde Glazenborg zich naar ons, “maar er gaat iets gebeuren.” Ik keek  opnieuw. Zal wel, dacht ik mijn wenkbrauwen fronsend. Mij krijg je niet snel gek. Later vertelde hij dat de koningin haar volk zou verlaten om zich met enkele duizenden volgelingen elders te vestigen. Het was te druk geworden in de korf. Een voorbeeld dat in onze wereld misschien ook geen slecht idee zou zijn.

De kennis van mijn vrouw bleek uiteindelijk minder groot dan ze had doen voorkomen. Terwijl mijn kleindochter vier stappen achteruit deed toen Jan bij een van de kasten de luikjes opende, waardoor je door glazen ruitjes een goed beeld kreeg van de bijenkolonie, vroeg zij: “Zijn wespen agressief?” “Dit zijn bijen,” antwoordde de imker meewarig. “Voor mij hetzelfde,” kaatste mijn vrouw terug en trok er een gezicht bij alsof ze à la minute gestoken was. Je wint het niet snel van mijn vrouw. Hij haalde zijn schouders op.

Tienduizenden bijtjes krioelden en buitelden over elkaar. Op het eerste gezicht leek het meer een chaotische speeltuin dan een goed georganiseerde bijencommune. Maar niets bleek minder waar. Bijen zijn nijvere beestjes. Vooral de vrouwtjes. Ze bouwen honingraden, vergaren stuifmeel, verzorgen de koningin – die op haar beurt weer een paar duizend eitjes per dag legt – en houden het huis schoon. En dat allemaal in de zes weken die ze te leven hebben. Ik hoor mijn vrouw al klagen als ik een keer vergeet de tandpasta uit de wasbak weg te spoelen.

De mannetjes daarentegen hebben niet meer te doen dan het bevruchten van de koningin. Een heerlijk leventje zou je denken, maar dat valt tegen. In de eerste plaats denk ik dat Maxima daar niet op zou zitten wachten en tevens is het eens en nooit weer. Ze sterven na hun daad. Vind ik persoonlijk iets te drastisch. Dat sterven is trouwens ook bijzonder. Geen uitvaart, geen rouwdienst, geen treurige familieleden. Nee, omgevallen soortgenoten worden – alweer door de vrouwtjes – het huis uit gesleurd en daarna als oud vuil op straat gegooid. Pittige wijfies dus.

Na afloop van de rondleiding  was mijn kennis over het bijenvolk flink opgevijzeld, maar desondanks wil ik hiermee niet in de voetsporen van mijn vader treden. Zelfs niet na een flinke slok. We zijn met z’n drieën nog wel een heerlijke pannenkoek gaan eten – met honing! – maar daar wil ik het bij laten.

Ben van Althuis

www.benvanalthuis.com